2003/2 Territoriaal of mentaal?
Editieredactie: Ton van Eijk, Bernard Luttikhuis & Sake Stoppels
Probleemstelling
Als het gaat om de kerkelijke organisatie, is het territoriale organisatieprincipe nog altijd dominant. De postcode bepaalt in eerste instantie bij welke kerk een mens hoort. Dit territoriale ordeningsprincipe heeft oude papieren. Maar in deze tijd van toenemende mobiliteit en selectiviteit laten mensen zich steeds minder geografisch ‘opsluiten’. De stap naar de gemeente waar men krachtens geografische grenzen bij hoort, is momenteel allerminst vanzelfsprekend. Mensen kiezen een kerk die bij hen past. We zien een tendens tot ‘mentalisering’: kerkleden zoeken een kerk waar ze zich geestelijk en sociaal op hun plek voelen. Binnen bepaalde kerkgenootschappen groeien de verschillen tussen de verschillende gemeenten en parochies. Daar waar vroeger binnen bijvoorbeeld de Gereformeerde Kerken in Nederland de herkenning over en weer groot was, ontstaan nu tussen de verschillende plaatselijke kerken soms grote verschillen.
Bedoelde ontwikkelingen staan uiteraard niet op zichzelf. De kerken weerspiegelen een samenleving waarin sociale netwerken steeds minder langs territoriale wegen worden georganiseerd. Het territoriale ordeningsprincipe lijkt te worden teruggedrongen ten gunste van andere principes.
Illustratief is in dit verband de adressenlijst van mijn voetbalelftal, de SV Nootdorp 5. Van de achttien spelers wonen er acht buiten Nootdorp. Van financiële of andersoortige externe prikkels om in het elftal te komen spelen, is op ons niveau B de diepste kelder van de KNVB B absoluut geen sprake. Enkel oude banden met Nootdorp of met andere spelers maken het aantrekkelijk genoeg om wekelijks de reis naar Nootdorp te ondernemen.
De sociaal geograaf Van Engelsdorp Gastelaars schrijft in een recente publicatie over de territoriale factor, dat in een postindustriële samenleving als de Nederlandse territoriaal georganiseerde en begrensde leefwerelden in belang afnemen.1 Als verklaring daarvoor wijst hij op twee ontwikkelingen.
De eerste is weinig verrassend: door de toegenomen mobiliteit is het te bestrijken territorium van mensen aanzienlijk verruimd. Dagelijks boodschappen doen in de bescheiden buurtwinkel is bijvoorbeeld door veel mensen ingeruild voor een wekelijkse tocht naar de verder weg gelegen megasupermarkt met goede parkeergelegenheid. Een dergelijk patroon komt ook tegemoet aan de toegenomen behoefte aan anonimiteit, aldus de auteur. Hij stelt dat alleen kinderen en de niet meer mobiele ouderen nog sterk op de directe woonomgeving gericht zijn.
In dit verband wijs ik op een onderzoek onder 48 Christian Reformed Churches in en rond de stad Grand Rapids in de Verenigde Staten. Ze variëren nogal op het punt van de gemiddelde afstand van het woonadres van de leden tot het kerkgebouw. De hypothese was dat sociale cohesie en onderlinge interactie van de leden omgekeerd evenredig zouden zijn aan deze gemiddelde afstand. Dit bleek echter niet het geval te zijn. Er zijn zelfs indicaties voor een omgekeerd verband; sterkere onderlinge banden naarmate de gemiddelde afstand tussen woonadres en kerkgebouw toeneemt.2
Een tweede ontwikkeling waar Van Engelsdorp Gastelaars in dit verband op wijst, is iets verrassender: de neiging zich thuis ‘op te sluiten’. In toenemende mate worden huishoudingen self-supportive; voor allerlei voorzieningen hoeft een mens de deur niet meer uit. Het internet is hier wellicht het meest recente en meest radicale voorbeeld. Toegespitst op kerk en godsdienst kan worden gesteld dat deze ook volop thuis verkrijgbaar zijn.
Zo zien we dus een dubbele beweging die mensen wegvoert van een oriëntatie op de directe woonomgeving. Aan de ene kant een beweging naar B ruimtelijk gezien B verder weg gelegen bestemmingen en aan de andere kant een toenemend gewicht van het private domein thuis. De locale oriëntatie is hier de verliezer.
Deze brede maatschappelijke ontwikkeling slaat de kerken uiteraard niet over. Kerkleden zullen zich in hun ruimtelijk gedrag over het algemeen niet onderscheiden van niet-kerkleden. De godsdienstsocioloog Stoffels publiceerde onlangs in dit tijdschrift de resultaten van een onderzoek naar binding aan de kerkelijke gemeente. Uit dat onderzoek – verricht binnen de Samen op Weg-kerken – bleek onder andere dat ongeveer tien procent van de leden bij voorkeur kerkdiensten bijwoont in een andere dan de ‘eigen’ gemeente. Dat lijkt op het eerste gezicht niet zo heel veel, maar het gaat hier wel om een groep die kerkdiensten bezoekt en dat geldt niet voor alle leden. Binnen de groep van ‘praktiserende’ leden is hun aandeel dus aanzienlijk hoger. Een op de drie respondenten gaf aan dat men zich bij een eventuele verhuizing niet zondermeer zou aansluiten bij een andere gemeente van het eigen kerkgenootschap.3 Selectiviteit is een dominant kenmerk van onze samenleving geworden.
Er zijn signalen dat kerken bedoelde maatschappelijke ontwikkelingen willen verdisconteren in hun functioneren. Illustratief daarvoor zijn de ontwerp-ordinanties van de SoW-kerken uit 1997. Het hoofdstuk over vormen van gemeente-zijn begint als volgt: ‘Elke gemeente heeft haar door de kerk vastgestelde gebied…’4 Dat is onmiskenbaar een territoriale inzet, maar wel wordt langs een aantal wegen deze inzet gerelativeerd. Allereerst door de ruimte die men laat voor gemeenten die niet wensen te federeren, maar als respectievelijk hervormde, gereformeerde of lutherse gemeente willen blijven voortbestaan. Daarmee schept men kerkordelijke ruimte voor mentale gemeentevorming. Vervolgens wordt ruimte geschapen voor categoriale gemeenten en voor gemeenten in bijzondere missionaire, diaconale en pastorale omstandigheden in grootstedelijke gebieden. En ten slotte wordt het principe van ‘perforatie’ kerkordelijk vastgelegd: kerkleden kunnen een andere gemeente kiezen dan die waartoe ze op geografische gronden behoren.5 Dit alles betekent een duidelijke ‘ontmonopolisering’ van het territoriale principe, maar dominant blijft dit principe toch wel. Kerken lijken in sterke mate te hechten aan de geografisch afgebakende en georganiseerde gemeente en parochie. Cruciale vraag daarbij is of dit primaat de meest vruchtbare optie is voor het functioneren van de kerken in onze samenleving. Daarover gaat het in dit themanummer.
De meningen zijn verdeeld, er is op dit punt bepaald geen eenstemmigheid. Ter illustratie twee tegengestelde stemmen. De godsdienstsocioloog Dekker meent dat het primaat van het territoriale organisatieprincipe niet langer kan. ‘Als we gemeenteleden werkelijk als subject van de gemeente willen beschouwen, dan moeten zij ook hun eigen gemeente kunnen kiezen en (helpen) vormen. De territoriaal begrensde gemeente als principe past niet meer in deze tijd (...). Het is ook helemaal geen bijbels gegeven, iets waar de zeer biblicistische reformatorische kerken in de Verenigde Staten van Amerika onze ogen voor kunnen openen.’6 Kerken daar zijn in zekere zin elkaars concurrenten omdat er geen strikt afgebakende kerkelijke grenzen bestaan. Kennelijk kan het in een hoogmoderne samenleving dus ook anders!
Een heel ander geluid komt van de journalist Leo Fijen die in zijn enthousiaste boekje over de parochie van Maartensdijk de territoriale oriëntatie van de kerk sterk benadrukt en aangeeft niet te geloven in kerkelijke regionalisering en categorialisering. ‘De mobiliteit van gelovigen in Maartensdijk is blijkbaar geen belemmering om in hun eigen dorp naar de kerk te gaan’, zo concludeert hij.7
Het territoriale principe heeft verbindingen met ten minste drie andere kwesties. Allereerst met het vraagstuk van de pluriformiteit. Het loslaten van het territorium als basiseenheid brengt met zich mee dat de kerkelijke betrokkenheid op een andere wijze verkaveld wordt. In de regel zal dat dan langs mentale of categoriale wegen gebeuren. Daardoor is het bepaald niet denkbeeldig dat er – binnen denominaties – een bont geheel aan gemeenten en parochies ontstaat met ieder een eigen profiel. Op zich is daar niets mis mee, maar pluriformiteit kan hier wel overgaan in een pluralisme waarbij de onderlinge communicatie wegvalt en er geen kritische betrokkenheid meer op elkaar is. Vanuit de ecclesiologie dringen zich op dit punt belangrijke vragen op. Als de metafoor van het lichaam uit 1 Korintiërs 12 niet enkel wordt toegepast op het niveau van de individuele gelovigen, maar ook op het niveau van gemeenten, parochies en gemeenschappen, welke consequenties heeft dat dan voor de onderlinge relaties? Hoe ligt de (gezonde) verhouding tussen pluriformiteit en conciliariteit?
Een tweede kwestie is die van de schaalvergroting. Daar waar de kerk krimpt, zal reorganisatie onontkoombaar zijn. Een dergelijke reorganisatie kan bestaan uit het vergroten van het territorium waarop een bepaald aanbod wordt gedaan. Het territoriale principe blijft dan gehandhaafd, slechts de schaal verandert. In de regel is dit de gangbare aanpak. Te denken valt daarbij aan bijvoorbeeld de sluiting van kerkgebouwen. Vanuit een overblijvend, vernieuwd of soms ook nieuw kerkgebouw wordt dan een groter gebied bediend. Vraag is wat deze ‘kaasschaafmethode’ oplevert en of er ook andere strategieën denkbaar zijn. Specialisatie en regionalisering zijn in dit verband te noemen.
Een derde kwestie betreft de kerkelijke aanwezigheid. Deze wordt in met name de grote steden steeds meer bedreigd. Wanneer wordt vastgehouden aan het territoriale principe, dan volgt de kerk automatisch de ruimtelijke beweging van haar leden. Trekken deze zich bijvoorbeeld terug uit bepaalde delen van de stad, dan trekt de kerk zich ook terug. We zien de effecten in met name oude stadswijken waar de kerken vaak vrijwel volledig verdwenen zijn. Tegelijk is er een groeiende aandacht voor zogenaamde kerkelijke presentie. Daarbij gaat het er om vooral in de sociaal en economisch kwetsbare wijken als kerken present te zijn. Het mag duidelijk zijn dat het territoriale organisatieprincipe en het streven naar kerkelijke presentie op gespannen voet met elkaar staan.
Vraagstelling
Uit het voorgaande zullen de vragen die centraal staan in dit themanummer al enigszins duidelijk zijn geworden. Maar een nadere precisering is nodig om een goed kompas te hebben voor de opzet en invulling van dit nummer. De twee vragen waarop we ons zullen concentreren zijn deze:
Hoe dienen we (het vasthouden aan) het territoriale organisatieprincipe van de kerken te beoordelen in het licht van relevante maatschappelijke ontwikkelingen als toenemende mobiliteit en veranderingen in de organisatie van sociale netwerken?
Welke territoriale of niet-territoriale organisatieprincipes zijn denkbaar en mogelijk ook vruchtbaar binnen de kerken, gegeven haar interne en externe functioneren in de huidige samenleving?
Deze beide vragen roepen een heel scala aan vervolgvragen op, vooral vanwege de spanningsvelden waarbinnen de kerken onvermijdelijk opereren. Ik noem drie kwesties.
In de kerk spreekt men vanouds niet over ‘dames en heren’, maar van ‘broeders en zusters’. De wortels daarvan liggen in het Nieuwe Testament. In onze tijd krijgen we overigens meer en meer moeite met dit spreken en verdwijnt het ook.8 In zekere zin is dat jammer, omdat in broeders en zusters heel treffend meeklinkt dat we elkaar in de kerk niet uitkiezen, maar elkaar gegeven zijn. De vraag die rijst, is in hoeverre het in de kerk legitiem is elkaar uit te kiezen. Kan de kerk keuzekerk zijn of is dat principieel gezien een contradictio in terminis?
In het verlengde hiervan zijn in de tweede plaats vragen te stellen bij het concurrentieprincipe. Zodra territoriale grenzen wegvallen, komt er automatisch ruimte voor andere verdeelprincipes op grond waarvan leden worden vastgehouden en geworven. In zekere zin ontstaat dan ruimte voor concurrentie tussen kerken. In de VS bestaat daar ruime ervaring mee, in Nederland staan we daar doorgaans toch wat gereserveerder tegenover. Kan dat, concurrentie tussen kerken en gemeente of parochies?
Een derde punt is het gewicht van de voorganger in het functioneren van een gemeente of parochie. Is het proces van ‘mentalisering’ vooral resultante van bewust gezamenlijk bepaald beleid, of heeft het ook iets willekeurigs en tijdelijks omdat het met name samenhangt met B zo niet afhangt van B het profiel en de aantrekkelijkheid van de voorganger? Het zou goed kunnen zijn dat het proces van mentale herverkaveling van gemeenten eerder wordt veroorzaakt door een specifieke voorganger dan door bewust beleid.
Opzet
Dit themanummer bestaat uit drie delen. Het eerste deel wil vooral een introductie bieden in de thematiek die aan de orde is. Bernard Luttikhuis, predikant in Haarlem, schrijft over de historische wording van het territoriale organisatieprincipe in de kerk, met in het bijzonder aandacht voor ontwikkelingen op het protestantse erf. Ton Meijer, docent canoniek recht, belicht in een volgend artikel het denken in dezen in de rooms-katholieke Kerk. Gerard Dekker, godsdienstsocioloog, schrijft over het verband tussen organisatieprincipe en kerkvisie. In zijn ogen staat de wijze waarop een kerk is georganiseerd niet los van de kerkvisie die men heeft. Vanuit twee dilemma’s of spanningsvelden die in de kerk telkens weer aan de orde zijn, komt hij tot vier mogelijke gemeentevormen: territoriaal, mentaal, categoriaal en functioneel.
Na deze probleemstelling en introductie volgt in het tweede deel een aantal portretten van concrete gemeenten en gemeenschappen die ieder op hun eigen wijze een weg zoeken in het kerkelijk landschap. Ze zijn uitgekozen op grond van een specifiek eigen benadering inzake de problematiek die in dit themanummer centraal staat. Het betreft vier protestantse (wijk)gemeenten en twee katholieke gemeenschappen:
1. De Willem de Zwijgerkerk in Amsterdam-Zuid (SoW). Terwijl men in kerkelijk Amsterdam opteerde voor specialisering en mentalisering, hield en houdt deze gemeente doelbewust vast aan haar territoriale karakter.
2. De wijkgemeente Haarlem-Centrum (hervormd). Deze gemeente rond de Grote of St. Bavokerk in het hart van Haarlem wil een gewone wijkgemeente zijn. Maar mede door de profilering van naburige kerken en haar prominente kerkgebouw heeft ze nadrukkelijk ook een cityfunctie.
3. De Oosterkerk in Zeist (Gereformeerd). Als enige wijkgemeente in Zeist is ze nog niet gefedereerd. Ze profileert zich door aandacht te vragen en ruimte te bieden aan wat we doorgaans een evangelische geloofsbeleving noemen. Daarmee trekt ze ook relatief veel mensen van buiten het eigen territorium.
4. De Tehuisgemeente in Groningen (Nederlands Gereformeerd). Het betreft hier een gemeente die binnen het verband van de Nederlands Gereformeerde Kerken een heel eigen positie inneemt en mede daardoor ook een bovenplaatselijke uitstraling heeft.
5. De Willibrordparochie in Den Haag (rooms-katholiek). In de Haagse Schilderswijk is veel kerkelijke kaalslag geweest, maar er blijken zich ook nieuwe en vitale gemeenschappen te kunnen vormen. In de Willibrordparochie probeert men verschillende allochtone katholieken met elkaar in contact te laten komen.
6. De Boskapel in Nijmegen (rooms-katholiek). De kloosterkapel van de Augustijnen in Nijmegen heeft na Vaticanum II door haar vernieuwende liturgie veel mensen aangetrokken. Het gaat om een gestalte van kerk-zijn naast de klassieke territoriale parochie.
Om helder te maken wat we graag wilden weten, hebben we de auteurs een lijst met de volgende aandachtspunten meegegeven:
· Globale schets van de gemeente/parochie en haar context, inclusief de eventuele verbanden waar ze is mogelijk is ingekaderd.
· De mate waarin bewust beleid bestaat rondom territoriale, respectievelijk mentale verkaveling, zowel van de gemeente zelf als van het bredere verband waarbinnen ze functioneert. Hier is ook aandacht voor de historische wording: welke ontwikkelingsgang heeft een gemeente/parochie in territoriaal, respectievelijk mentaal opzicht doorgemaakt?
· Waar komen de mensen vandaan die meedoen; trekt een mentale gemeente daadwerkelijk mensen van buiten het eigen territorium? En zo ja, van hoe ver komen ze dan; wat is haar ruimtelijke actieradius? En hoe territoriaal is een territoriale gemeente/parochie (nog)?
· Welke relatie zijn er met eventueel naburige gemeenten/parochies? Is er sprake van een complementaire of juist competitieve verhouding? Welke is de eigen plek van de gemeente/parochie in het geheel van plaatselijke kerkelijke presentie?
· Welke relaties zijn er tot eventuele bovenlokale en/of tijdelijke vormen van kerk-zijn: in welke mate participeren gemeenteleden/parochianen daaraan en welke invloed heeft dit op hun participatie aan de lokale gemeente/parochie?
· Hoe wordt de huidige positie(keuze) van de eigen gemeente/parochie/gemeenschap gewaardeerd; wat is positief, wat is negatief? Welke lijnen zijn eventueel met het oog op de toekomst te trekken?
· Wat betekent de gemaakte keuze eventueel voor de positie van de beroepskracht(en)? In welke mate speelt de beroepskracht een rol in het huidige profiel van de gemeente/parochie?
In het derde en afsluitende deel komen we tot een evaluatie. Roger Weverbergh gebruikt een indeling van McCann om zicht te krijgen op de beschreven gemeenten en parochies. Gerben Heitink concentreert zich in zijn bijdrage met name op de predikant. Beiden spreken in hun evaluatie over kerkelijke schaalvergroting. Deze is vaak noodgedwongen, maar de auteurs laten zien dat daarin ook nieuwe kansen schuilen. Onafhankelijk van elkaar pleiten ze voor de vorming van regionale teams van min of meer gespecialiseerde beroepskrachten. In een slotartikel maken we de balans op. Dat kan niet anders dan een voorlopige balans zijn omdat dit themanummer veel nieuwe vragen heeft opgeworpen. Met een aantal van die nieuwe vragen wordt het nummer afgesloten.
Noten
1. Engelsdorp Gastelaars, R. van (2001). Territorial attachment and administrative organisation at the local level: the case of the Netherlands. In Dijkink, G. & Knippenberg, H. (eds.), The territorial factor. Political geography in a globalising world. pp. 453-471. Amsterdam.
2. Bulten, T. (2002). Community and propinquity of church members. Christian Scholars Review, Volume XXXI, nr. 4, pp. 359-376. In methodologisch opzicht valt er in mijn ogen wel een en ander op te merken aan de opzet en uitvoering van het onderzoek.
3. Stoffels, H. (2002). Tussen binding en ontbinding. Kerkleden op zoek naar gemeenschap en individualiteit. Praktische Theologie, jrg. 29, nr. 4, pp. 432-450.
4. Ontwerp-ordinanties behorende bij de ontwerp-kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in Nederland, Zoetermeer 1997, p. 18.
5. Zie Koffeman, L. J. (2000). Exclusiviteit en variatie inzake de kerkelijke gemeente. In Jonkers, J. B. G. & Bruinsma-de Beer, J. (red.), Gemeente gewogen. Een introductie op het theologische gesprek over de lokale kerkelijke gemeente. pp. 68-86. Kampen.
6. Dekker, G. (1998). De gemeente als onmogelijke organisatie. In Heitink, G., e.a. (red.), Een gezamenlijke trektocht. Meedenken met Jan Hendriks over gemeenteopbouw. p. 82. Kampen.
7. Fijen, L. (2001). Het wonder van Maartensdijk. Hoe een kleine gemeenschap leeft met God. p. 113. Baarn.
8. Deze wijze van spreken heeft altijd iets geforceerds gehad. Het spreken over ‘broeder De Vries’ en ‘zuster De Jong’ is binnen het kader van zuster- en broederschap onnatuurlijk. Broers en zussen in biologische zin spreken elkaar immers met de voornaam aan.
Deel I: Opzet en verkenning
Sake Stoppels, Tussen wijk en uitwijkgemeente. Inleiding (125)
Bernard Luttikhuis, De territoriale gemeente: een historische schets (134)
Ton Meijers, Kerk(recht)elijke dominantie van de territoriale parochie (148)
Gerard Dekker, Achter het organisatieprincipe schuilt een kerkvisie (166)
Deel II: Praktijkberichten
Jantine Heuvelink & Wies Houweling, Oefening in dialoog? De Willem de Zwijgerkerk in Amsterdam-Zuid (176)
Bernard Luttikhuis, Wijkgemeente of citykerk? De hervormde wijkgemeente Haarlem-Centrum rond de Grote of St. Bavokerk (183)
Ite Wierenga, De Tehuisgemeente in Groningen (191)
Frans Boer, Enkele concrete keuzes. De Oosterkerk in Zeist (204)
Arianne Aarts, Categoriale of territoriale parochie? De Willibrordparochie is beide wel en niet (213)
Joost Koopmans OSA, ‘Samen op weg naar God’. Over de inzet en de uitstraling van de Boskapel te Nijmegen als kloosterkapel (221)
Deel III: Reflecties
Roger Weverbergh, Onbegrensde gemeente of territoriale parochie (229)
Gerben Heitink, De territoriale gemeente en het werk van de predikant (241)
Sake Stoppels, Ontwijken kan niet meer. Een slotbeschouwing (253)